Fietsherinneringen

Leen werd geboren in Lier, en woont al decennialang in Gent. Afgelopen zondag deed ze me haar “Kinderscènes Opus 1” cado. En jawel: er was een hoofdstuk “Fietsherinneringen”.

Anno 1963

Behalve rondjes trappen met een driewieler had ik als achtjarig meisje geen enkele ervaring met fietsen. Dat kwam omdat er gewoonweg geen fietsen waren bij ons thuis. Alleen vader had een fiets waarmee hij dagelijks naar zijn werk reed. Af en toe mocht er een van de kinderen vooraan op het extra gemonteerde zadel zitten. Je voeten stonden op ijzeren steuntjes en je hield het grote stuur in het midden vast. Achter je rug voelde je de nabijheid van vaders warme lichaam en je waande je veilig tussen zijn armen die langs je heen het stuur vasthielden. Heerlijk was het om als kind die snelheid te ervaren.

Ik wilde zo graag leren fietsen. Die gelegenheid kreeg ik tijdens de bezoeken aan nonkel Karel en tante Lina. Daar waren enkele fietsen op kindermaat waarmee mijn nichtjes Gerd en Hild fietsten in de rustige straten van hun villawijk. Ik herinner me nog hoe ik moest bedelen om ook eens op een fiets te mogen. Als ik er dan eindelijk een te pakken had, sloeg de schrik me om het hart want, hoe in godsnaam, kon je vertrekken met zo’n ding? Maar er kwam hulp. Mijn nichtjes hielden de fiets vast zodat ik op het zadel kon gaan zitten en mijn voeten op de trappers kon plaatsen. Ze duwden de fiets in gang terwijl ze luid riepen dat ik moest trappen. Mijn hart bonkte in mijn keel. Wat een vaart! Dan lieten ze de fiets los en reed ik, willen of niet, alleen verder. Van ’t verschieten keek ik naar mijn trappende voeten wat onmiddellijk een slingerbeweging veroorzaakte. “Voor je kijken, je moet voor je kijken!” hoorde ik ergens ver weg. Terwijl ik het stuur van links naar rechts draaide en op die manier krampachtig probeerde bij te sturen, vergaten mijn voeten hun werk te doen. Ik minderde vaart en nog voor het advies: ”Blijven trappen!” tot me doordrong, viel ik slagzij op de harde macadam. Mijn moeke had gelijk: ”Fietsen is gevaarlijk, manneke, daar kunt ge u lelijk mee zeer doen.” Maar toch, de sensatie won het van de schrik. Ik wilde niet opgeven.

Nadat mijn geschaafde knie en elleboog ontsmet en bewonderd waren, ging ik stilletjes terug naar buiten waar de begeerde fiets onbewaakt en uitdagend tegen de muur van het huis stond.

Dit was de kans van mijn leven! Ik nam de fiets aan de hand en stapte ermee naar het midden van de laan. Ik moest en zou dit kunnen! Ik zette één voet startklaar op de hoogste trapper en in mijn hoofd gonsden twee dwingende zinnetjes: naar voren kijken en blijven trappen! Ik zette me schrap, klaar om met kracht de trapper naar beneden te duwen. De rest zou dan vanzelf volgen. Na een inwendig startschot duwde ik de trapper naar beneden, probeerde dan vliegensvlug de tweede voet bij te zetten en bijna tegelijkertijd op het zadel te gaan zitten. Dit alles met mijn blik op een oneindige verte gericht. Het zag er zo simpel uit toen mijn nichtje het demonstreerde. Mijn voet miste de trapper echter en nog net op tijd kon ik hem terug op de grond plaatsen. Met de fiets tussen mijn benen stond ik met enkele schokjes stil. Oef, ik was toch niet gevallen! Dat gaf moed. Ik begon opnieuw.

Na de vijfde poging was het gelukt. Ik zat op het zadel en mijn twee voeten trapten in het rond. Mijn handen knepen heel hard in de rubberen handvaten van het stuur en ik staarde gespannen de verte in. Wow, ik fietste! Ik fietste helemaal alleen!

Behalve de wat wazige verte kwam het einde van de straat plots scherp in beeld. De straat maakte een scherpe bocht naar links.

De alarmbel in mijn hoofd klonk steeds luider en luider. Iets in mij gaf me het bevel te stoppen. STOPPEN NU! Ja, goed, maar hoe deed je dat? Het woord remmen flitste aan en uit ergens in mijn achterhoofd, maar mijn benen luisterden niet. Zonder het te willen, reed ik in de richting van de graskant en liet me er zijwaarts in vallen. Als een veer sprong ik weer op, klopte de grassprietjes van me af en keek vlug even rond. Niemand had me gezien! Ik oefende dapper verder. Ik was zo geconcentreerd bezig dat ik niets of niemand nog opmerkte. De wereld bestond uit die fiets en mezelf en de reusachtige drang deze vaardigheid onder de knie te krijgen.

Ik ging dan ook fier naar binnen met de woorden: ”Ik kan het moeke, ik kan het!” Vanaf dan werd het hebben van een fiets het meest begeerde ding op aarde.

Anno 1964-1965

Een tijd nadien kregen we van een buur een oude fiets. Hij had geen lichten en ook geen bel, maar rijden deed hij wel. Hij had een torpedorem zoals gebruikelijk was in die tijd.

Af en toe mochten we met die fiets naar ‘Den Oever’ gaan. Dat was een stuk grond langs de Nete waarop langs kronkelige zandweggetjes houten huisjes her en der verspreid stonden. Het was maar één straat ver van waar wij woonden. Samen vertrokken we met de fiets aan de hand naar dat begeerde stukje grond waar het volgens moeder veilig genoeg was om te fietsen. Er reden daar geen auto’s en dat was het voornaamste.

Om beurten fietsten we elk tien minuten kriskras door de zandweggetjes. Terwijl een van ons genoot van zijn verkenningstochtje, hielden de anderen de tijd goed in de gaten op het horloge dat moeder ons voor die gelegenheid meegaf.

Wie fietste probeerde de controlepost zoveel mogelijk te vermijden. Zo konden ze je niet verwittigen als je tijd om was en gaf het fietsen je een opperste gevoel van vrijheid. Het gebeurde dan ook geregeld dat je langer wegbleef dan afgesproken en dan kregen we ruzie.

Wie te lang fietste, mocht nadien minder lang rijden. Werd dat niet gerespecteerd, dan sloeg de anarchie toe: als gij langer rijdt, dan ik ook! Soms liep iemand naar huis om te gaan klikken dat er vals werd gespeeld. Wanneer we dan thuis kwamen, keef ons moeke en dreigde ze ermee de fiets weg te doen…

Anno 1966

Toen deed ik mijn Plechtige Communie! Mei 1966. Mijn peter, nonkel Adrien, bezorgde me de verrassing van mijn leven. Nog voor de feestelijke misviering begon, ging de bel. Nieuwsgierig liep ik naar de voordeur met moeder in mijn kielzog.

Wat ik toen zag, kon ik niet geloven: daar stond mijn peter met een spiksplinternieuwe fiets aan zijn hand! Een rode met een smal en ietwat naar beneden krommend stuur, een jongensstuur noemden we dat toen. Er zaten twee lichten vooraan in plaats van één. Ik stond perplex en hij lachte uitbundig naar mij. Zijn mond, zijn snor, zijn bruine ogen, alles lachte me toe. Ik kon mijn geluk niet op. Ik sprong de lucht in en nam de fiets gretig in ontvangst. Ik wilde er direct mee wegrijden maar daar stak moeder een stokje voor. “Geen sprake van”, zei ze gedecideerd, “zie dat ge iets tegen komt zo vlak voor de mis.” Maar het zou nonkel Adrien niet geweest zijn, moest hij het niet opgenomen hebben voor de verlangende kinderziel: “Allé, Maria, laat dat kind toch efkes één toerke doen.”

Ik voelde me gesteund en overtuigde moeder dat ik alleen eventjes op ‘Den Oever’ zou rijden. Moeder gaf toe en ik fietste weg. Ondanks de ja van mijn moeke was ik er zelf ook niet helemaal gerust in. Er mocht nu echt niks verkeerd lopen.

Op ‘Den Oever’ reed ik een smal weggetje in tussen twee huisjes. Het was smaller dan ik had ingeschat en ik nam een te wijde bocht. Met mijn knokkels van mijn rechterhand schuurde ik tegen de muur van een van de huisjes. Ik probeerde niet te vallen, hervond mijn evenwicht en stopte dan angstvallig om naar mijn hand te kijken. Mijn vier vingers bloedden. Wat een schrik! Wat zou moeke wel zeggen? Kwaad op mezelf omdat ik zo stom was geweest en nog banger voor moeders reactie, liep ik met de fiets aan mijn hand weer naar huis. Moeder had weer eens gelijk. Thuis gekomen durfde ik nauwelijks mijn vingers te tonen. Moeder zong haar zo gekende ‘ziet-ge-nu-wel-liedje’ en ik geloofde haar.

Nonkel Adrien lachte echter alle spanningen weg en maakte van mijn opgelopen schaafwonden een heldendaad. De plakkertjes rond mijn vingers maakten het moeilijk om mijn witte handschoentjes aan te krijgen.

In de mis kon ik nauwelijks opletten. Ik was zo vol van die fiets. Ik popelde om ermee te kunnen rijden en hem trots te tonen aan al mijn vriendinnetjes. Ik kon niet langer zwijgen. Ik fluisterde mijn blijheid in het oor van het meisje naast me en werd meteen met een vingerknip en strenge blik van de juf tot de orde geroepen.

Mijn gedachten dwaalden echter voortdurend af en gaven me kopzorgen: was dat stuur niet voor jongens eigenlijk? En die twee lichten, zo opvallend! Zouden ze mij niet uitlachen? Het was toch heel speciaal en ongewoon? En ik voelde me speciaal, want wie kreeg er nu een gloednieuwe fiets op zijn communie? Mijn peter wist perfect wat ik nodig had.

Toen we te communie mochten gaan en ik mijn handen samenvouwde, merkte ik de kleine rode verkleuringen op de witte vingers van mijn handschoen. Ik schaamde me en voelde me stil vallen van binnen. Ik kende dit gevoel, uitbundigheid kon je maar beter in toom houden. Met gebogen hoofd stapte ik samen met de andere communicanten nederig naar voren. Netjes zoals het hoorde.

De laatste week van dat schooljaar mocht ik voor het eerst alleen met de fiets naar school. Wat voelde ik me groot! Triomfantelijk reed ik door de straten van Lier en wist dat de hele wereld naar me keek, naar mijn prachtige rode fiets met twee lichten én een jongensstuur!

Auteur: yves

Deze blog wil berichten over het fiets-wel en wee in een leuke stad.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s