Vroeger

Verandering is moeilijk. Ik kan dan wel vlot mijn mobiliteitsgedrag aanpassen aan wat volgens de huidige inzichten goed en nodig is. Maar minder vlees eten, dàt is … .

Eén van de vele redenen dat verandering moeilijk is is dat we het heden weinig objectief kunnen vergelijken met het verleden. We vergeten zo snel. Zeker over alledaagse dingen als mobiliteit.

Mede daarom was het uiterst prettig dat Korneel De Rync de toestemming gaf om het hoofdstuk FIETS uit zijn boek over de jaren 50 ” Vroeger was alles anderste publiceren. Korneel mailde de tekst op 10 maart 2020. Op 11 maart veranderde mijn wereld voor een paar maanden, iets met een c… . En de tekst verdween ergens diep in mijn mailbox.

Vorige maand dacht ik plots aan die tekst. Het geheugen laat zich niet temmen. Dus hier is hij dan! Hint: let ook op de voorflap.

FIETS

De fiets was in 1957 het meest verspreide vervoermiddel. Er waren er ongeveer 3 miljoen, 2.902.243 om precies te zijn. Dat betekent dat één op de drie Belgen een stalen ros bezat, en dat ongeveer ieder gezin een ter beschikking had. Omdat velen nog geen scooter of auto hadden, lag het gebruik ervan hoog. Uit een grote verkeerstelling in 1955 bleek dat fietsers goed waren voor 18,1 procent van alle voertuigen op de openbare weg. Mensen gingen ermee naar het werk, de winkel of gebruikten hem in hun vrije tijd. De gewone man sprong vaker op een velo dan de vermogende, want die laatste had zich wel al ‘gemotoriseerd’.

Het spreekt voor zich dat de fietsen technisch gezien minder waren: minder goede remmen, minder versnellingen, zwaarder frame, banden die sneller lek raakten, noem maar op. Toch schreef het tijdschrift Cyclotouring in maart 1954 dat de fiets niet meer hoefde ‘beschouwd te worden als een nog te verbeteren ding’. Over fietssloten was ook niet zo nagedacht. Mensen zetten hun tweewieler bijna nooit op slot, want er was nauwelijks diefstal.

Diefstal was er wel van overheidswege. Jaarlijks diende je een provinciale fietsbelasting van 80 frank te betalen. Het was een bijdrage voor de aanleg en het onderhoud van wegen en fietspaden. Je kreeg een metalen nummerplaatje dat je verplicht aan je rijwiel moest hangen als bewijs van betaling. Op dat plaatje stond de naam van de provincie vermeld, het jaartal en een persoonlijk registratienummer. Ieder jaar veranderde de kleur en vorm ervan, zodat de politie snel kon zien wie niet betaald had. (En wat met tandems? In het boek Passe-vite, een nostalgische terugblik op oude voorwerpen, staat te lezen: ‘Op een tandem hoefde maar één fietsplaat. Zat er geen plaatje in de vork, dan schreef de agent een bekeuring uit. Zat op de tandem één fietser, dan schreef de agent één bekeuring uit, zaten op de tandem twee fietsers, dan schreef de agent twee bonnen uit.’) De taks was hoe dan ook voer voor discussie, want slechts een klein procent van de opbrengsten werd geïnvesteerd voor het inrichten en verbeteren van fietsstroken. Sterker nog, het grootste deel ging naar de autowegen, ten nadele van tweewielers. Met het geld werden zelfs rijpaden verwijderd. De fietsers financierden dus hun eigen ondergang.

De overheid hechtte eind jaren vijftig geen belang aan fietsers en fietswegen. Alle aandacht ging naar het opkomende autoverkeer, en daarbij werden de zwakke weggebruikers vergeten. De beleidsmakers leken te denken dat de rijwielen op termijn gewoon zouden verdwijnen en iedereen in de toekomst enkel en alleen een auto zou gebruiken.

Er waren weinig fietspaden. Op veel plaatsen moest de trappende medemens gewoon op de autoweg rijden, ergens aan de rand ervan. Nog meer dan de auto’s hadden zij last van de slechte kasseiwegen. De paden die er wel waren, waren vaak smal, in slechte staat, onveilig, of er werden delen gebruikt als parkeerplaats. Ofwel waren die plekken door de autoriteiten zelf ingericht, ofwel zetten automobilisten daar illegaal hun wagen, zonder dat de politie ingreep – wat bijna op hetzelfde neerkomt. ‘Dat door auto’s op rijwielwegen gereden en geparkeerd wordt, is gewone kost geworden. Politie en rijkswacht sluiten de ogen. Waarom zouden de automobilisten zich dan verder aan de voorschriften storen?’ schreef Cyclosprint, het tijdschrift van de Belgische Wielrijdersbond, in januari 1957. Hoe dan ook, de fietsers moesten zigzaggen en ontwijken. Mooi aan de kant blijven, of in de sloot rijden. Een paar maanden later wond Cyclosprint zich weer op over het gebrek aan ruimte: ‘Onze bevoegde instanties […] handelen als waren de fietsers een uitgestorven categorie van weggebruikers. Het is net of ze geen bestaansrecht meer hebben en alsof opzettelijk alles zo bedisseld wordt dat de vermetele die nog fietsen wil niet spoedig genoeg uit de weg geruimd kan worden.’ En de Antwerpse Wielerunie schreef in 1955 in haar maandblad dat de fietsers de paria’s, de verschoppelingen van de weg waren. ‘En men laat het hem goed voelen. Zijn plaats op de weg wordt alom meer beperkt. Zijn rechten ingekrompen, zijn eergevoel gekrenkt: noch honden, noch rijwielen.’

uit: Vroeger was alles anders, Korneel De Rynck, 2018 (het boek is nog steeds te koop, bijvoorbeeld hier)

Auteur: yves

Deze blog wil berichten over het fiets-wel en wee in een leuke stad.

Eén gedachte over “Vroeger”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s